Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut; Ministerie van Verkeer en Waterstaat

 
Klimaatverandering
De feiten op een rij
Waargenomen veranderingen
Temperatuur
IPCC
In de periode 1880-2012 steeg de wereldgemiddelde luchttemperatuur bij het oppervlak met ongeveer 0,9 įC. In de afgelopen 15 jaar was de stijging veel minder groot, o.a. door natuurlijke variaties in de oceaanstroming. Maar ook in deze periode is de zeespiegel gestegen, is de hoeveelheid warmte in de oceanen toegenomen, zijn gletsjers teruggetrokken en is de hoeveelheid sneeuw afgenomen.
Nederland is eveneens opgewarmd. Tussen 1901 en 2013 nam de gemiddelde temperatuur in De Bilt toe met 1,8 įC. Het grootste deel van deze toename, namelijk 1,4 įC, vond plaats tussen 1951 en 2013 (Figuur 11). Sinds 1951 is de toename ongeveer twee keer zo groot als de wereldwijde toename van de gemiddelde temperatuur over het land- en zee-oppervlak. De opwarming in onze buurlanden was vergelijkbaar. Over het algemeen warmt het land sneller op dan de oceaan. De winters (december, januari en februari) waren zachter doordat de wind vaker uit het westen kwam. De zomers (juni, juli en augustus) waren extra warm door een toename van de zonnestraling, vooral het gevolg van de afgenomen luchtverontreiniging.

Figuur 11: Waargenomen jaargemiddelde temperatuur in De Bilt. Horizontale lijnen: gemiddelden over 30 jaar
Neerslag
IPCC
Sinds 1901 is de gemiddelde neerslag boven land op de gematigde breedten van het Noordelijk Halfrond toegenomen. Het is redelijk zeker dat de mens heeft bijgedragen aan de toename van de neerslag op de gematigde breedten sinds 1950. Wereldwijd is de hoeveelheid waterdamp in de lucht sinds de jaren 1970 toegenomen. Dit is het gevolg van de opwarming, omdat warmere lucht meer vocht kan bevatten.
Tussen 1910 en 2013 nam de jaarlijkse neerslag in Nederland toe met 26 procent. Tussen 1951 en 2013 bedroeg de toename 14 procent (Figuur 12). Alle seizoenen behalve de zomer zijn natter geworden. Tussen 1951 en 2013 nam in Nederland het aantal dagen per jaar met ten minste 10 millimeter neerslag in de winter of ten minste 20 millimeter neerslag in de zomer toe (Figuur 13). Gemiddeld overschrijdt de neerslag deze drempelwaarden overal in Nederland enkele keren per jaar. De grootste toename van deze gematigde extremen vond plaats in de kustgebieden. Het totaal aantal dagen met meer dan 0,1 millimeter neerslag, zogeheten 'natte dagen' of 'regendagen', veranderde niet. Door de toename van de temperatuur is ook de hoeveelheid waterdamp in de lucht toegenomen sinds 1950. Dit verklaart gedeeltelijk de toename van de jaarlijkse hoeveelheid neerslag. Het effect op zware buien is nog groter. Uit waarnemingen blijkt dat bij de meest extreme buien de hoeveelheid neerslag per uur toeneemt met ongeveer 12 procent per graad opwarming.

Figuur 12: Waargenomen jaarlijkse neerslag in Nederland. Horizontale lijnen: gemiddelden over 30 jaar

Figuur 13: Waargenomen veranderingen in het aantal winterdagen per jaar met ten minste 10 millimeter neerslag (boven) en het aantal zomerdagen per jaar met ten minste 20 millimeter neerslag (onder) tussen 1951 en 2013. Bron: www.ecad.eu
Zeespiegel
IPCC
In de periode 1901-2010 is de wereldgemiddelde zeespiegel gestegen met ongeveer 19 cm. Het gemiddelde tempo van de zeespiegelstijging was 1,7 millimeter per jaar tussen 1901 en 2010 en 3,2 millimeter per jaar tussen 1993 en 2010. In het noordoosten van de Atlantische Oceaan is de zeespiegelstijging ongeveer gelijk aan de wereldgemiddelde waarde (Figuur 14).
Uit waarnemingen blijkt dat de zeespiegel aan de Nederlandse kust sinds 1900 stijgt met een gemiddeld tempo van 1,8 millimeter per jaar. Voor de Noordzee is de laatste jaren geen duidelijke versnelling zichtbaar in het tempo van stijging die uitstijgt boven de natuurlijke variaties, zoals die wel zichtbaar is in het wereldgemiddelde. Dit wordt veroorzaakt doordat de natuurlijke variaties voor de Noordzee, die samenhangen met variaties in de wind, veel groter zijn dan voor de wereldgemiddelde zeespiegel.

Figuur 14: Tempo van de zeespiegelstijging in de periode 1993-2012. Merk op dat deze satellietgegevens geen waarde vermelden voor de Nederlandse kust.
Wind en storm
IPCC
In de jaren 1950-1990 is de sterkte van westenwinden toegenomen op de gematigde breedten van het noordelijk halfrond. Deze toename is grotendeels teniet gedaan door recente afnamen. De stormbanen, waarlangs stormen zich ontwikkelen en voortbewegen, zijn sinds de jaren 1970 waarschijnlijk naar het noorden verschoven.
Langlopende waarnemingsreeksen van de wind zijn schaars. Directe metingen zijn gevoelig voor veranderingen in meetinstrumenten en niet beschikbaar boven open zee. Daarom wordt veel gebruik gemaakt van andere, indirecte waarnemingen, zoals luchtdrukmetingen. Op basis van dit soort waarnemingen is geconstateerd dat er aan het begin en aan het einde van de twintigste eeuw meer stormen boven het Noordzeegebied waren. Halverwege de eeuw en in recente jaren is het aantal stormen lager (Figuur 15).
Boven land zien we sinds de jaren zestig een gestage afname van de windsnelheid en het aantal stormen. Dit lijkt vooralsnog vooral een gevolg van de toenemende bebouwing in Nederland. Hoe meer bebouwing hoe ruwer het landoppervlak en hoe meer de wind afgeremd wordt. Langs de kust daalt de gemeten windsnelheid niet sinds de jaren zestig.

Figuur 15: Indicator voor stormcondities boven de Noordzee. Horizontale lijnen: gemiddelden over 30 jaar.
Zicht en mist
Het zicht in Nederland is de afgelopen jaren verbeterd. Het jaarlijkse aantal uren mist, gedefinieerd als minder dan 1 km zicht, is geleidelijk gedaald van ongeveer 500 uur rond 1956 tot ongeveer 200 uur rond 2002 (Figuur 13). Binnen Nederland bestaan grote regionale verschillen: aan de kust komt momenteel per jaar ongeveer 60 uur minder mist voor dan in het binnenland.
De verbetering van het zicht en de afname van mist wordt vrijwel geheel toegeschreven aan maatregelen ter bestrijding van luchtverontreiniging.

Figuur 16: Jaarlijks aantal uren mist (zicht minder dan 1 km) in Nederland. Horizontale lijnen: gemiddelden over 30 jaar.
Hagel en onweer
IPCC
Door gebrek aan onderzoek en metingen is er weinig zekerheid over wereldwijde veranderingen van de frequentie en intensiteit van hagel en onweer.
Wolken, zonnestraling, verdamping en droogte
Sinds de jaren 1950 is de hoeveelheid bewolking in Nederland niet wezenlijk veranderd.
De zonnestraling is vanaf de jaren-80 wel toegenomen, met 9 procent tussen 1981 en 2013 (Figuur 17). Deze periode overlapt grotendeels met de referentieperiode voor de scenario's 1981-2010. Een reden voor deze verandering is dat de lucht schoner is geworden en daardoor ook transparanter. De waarnemingen laten ook zien dat de zonnestraling onder bewolkte omstandigheden is toegenomen. Daaruit blijkt dat wolken transparanter zijn geworden door de verminderde luchtvervuiling.
De toegenomen zonnestraling draagt ongeveer 0,2 įC bij aan de totale temperatuurtoename van ongeveer 1,6 įC in Nederland tussen 1951 en 2013.

Figuur 17: Jaarlijkse zonnestraling aan het oppervlak in De Bilt.
Verdamping
PotentiŽle verdamping is de verdamping die optreedt zolang de bodem voldoende water bevat. Tussen 1958 en 2013 nam in De Bilt de potentiŽle verdamping in de zomer toe met 12 procent. Dit is berekend met de zogeheten formule van Makkink voor de potentiŽle verdamping van grasland die ook wordt toegepast in berichten over verdamping voor de agrarische sector. Meer verdamping is het gevolg van de toename van de temperatuur en de zonnestraling. Deze twee bijdragen zijn in de periode 1981-2013 vrijwel even groot. Gegevens van Wageningen UR laten zien dat al sprake is van een toename in potentiŽle verdamping sinds 1928 9).
Gestandaardiseerde verdampingswaarnemingen onder niet-uitdrogende omstandigheden bij de KNMI meetmast in Cabauw tussen 1979 en 2013 vertonen een vergelijkbare toename.
De verandering in de werkelijke verdamping kan afwijken van de verandering in de potentiŽle verdamping, omdat de werkelijke verdamping beperkt wordt door de beschikbaarheid van water in de bodem.
Droogte
IPCC
Er bestaat weinig zekerheid over wereldwijde veranderingen in het optreden van droogte sinds het midden van de 20ste eeuw.
Sinds 1951 komt droogte iets vaker voor in Nederland. Deze trend zet in de toekomst waarschijnlijk door.